NMEA, netwerken en data

Analoge tanksensoren naar NMEA 2000 omzetten

Stap voor stap 8 min lezen Bijgewerkt: 2026

Je bestaande analoge tanksensor hoeft er niet uit. Een tankinterface leest de weerstand van je vlotter en zet die om naar een NMEA 2000-bericht, waarna je niveau op je plotter en in je apps staat. Het echte werk zit niet in de kabels maar in het kalibreren, want een tank is bijna nooit een rechthoekige bak.

Wat je gaat doen en hoeveel tijd het kost

Je plaatst een tankinterface tussen je bestaande analoge tanksensor en je NMEA 2000-netwerk. Die interface meet de weerstand die de vlotter in je tank afgeeft, rekent dat om naar een niveau en zet het als vloeistofniveaubericht op de bus. Je plotter en je apps zien het daarna als gewone bootdata.

Reken op een halve dag voor het aansluiten, en daarna een tankvulling om netjes te kalibreren. Dat laatste is niet in één sessie te doen, want je hebt verschillende niveaus nodig. Het handigste moment om te beginnen is dus met een bijna lege tank.

Benodigdheden en gereedschap

Voorbereiding en veiligheid

Werk je aan een brandstoftank, dan is dit geen klus om even snel te doen. Zorg voor ventilatie, geen open vuur en geen gereedschap dat kan vonken bij de tankopening. Schakel de betreffende groep uit voordat je aan bedrading begint.

Meet daarna eerst wat je hebt. Zet je multimeter op weerstand en meet aan de sensoraansluiting terwijl je weet of de tank vol of leeg is. Noteer die twee waarden en of de weerstand oploopt of afloopt bij een hoger niveau, want beide bestaan. Dit is de belangrijkste voorbereiding, want hiermee kies je de juiste instelling in de interface.

Let op: een vlotter in een dieseltank die jaren niet bewogen heeft, kan vastzitten. Meet je bij vol en bij leeg dezelfde weerstand, dan is je sensor het probleem en heeft een interface geen zin. Dat wil je weten voordat je gaat kabeltrekken.

De stappen

  1. Kies de interface op basis van je meting. Kijk of het bereik van je vlotter binnen het bereik van de interface valt en of hij zowel oplopende als aflopende sensoren aankan. Heb je meer tanks, neem dan meteen een meerkanaals exemplaar.
  2. Bepaal de plek. Droog, bereikbaar en zo dicht bij de tank als praktisch is, zodat de sensordraden kort blijven. De verbinding naar het netwerk mag langer zijn dan de verbinding naar de sensor.
  3. Hang de interface aan de backbone. Zet een T-stuk in de backbone en verbind de interface met een dropkabel. Zet er geen tweede voeding op, want je netwerk wordt op één punt gevoed. Waarom dat zo is staat in de voeding van je netwerk.
  4. Sluit de sensordraden aan. Meestal is dat een signaaldraad naar de vlotter en een massaverbinding. Gebruik voor die massa het punt dat de fabrikant aangeeft, en niet een willekeurig bootje van staal in de buurt.
  5. Controleer je LEN. Tel de LEN van de interface bij je totaal op en kijk of je nog binnen de grens zit. Hoe je dat doet staat in LEN berekenen.
  6. Zet het netwerk aan en zoek het apparaat. De interface hoort in de device list van je plotter te verschijnen. Staat hij er niet, stop dan met kalibreren en los dat eerst op.
  7. Wijs de tank toe. In de instellingen van de interface geef je per kanaal aan wat voor tank het is: brandstof, drinkwater, vuilwater of afvalwater. Je plotter gebruikt dat om het juiste symbool en de juiste eenheid te kiezen.
  8. Voer de tankinhoud in. De totale inhoud in liters, zoals die bij je boot hoort. Weet je die niet zeker, gebruik dan de waarde uit je scheepsdocumentatie en corrigeer later met de kalibratie.
  9. Kalibreer leeg. Met de tank zo leeg als je verantwoord kunt krijgen, leg je het onderste punt vast. Bij een dieseltank betekent dat: leeg genoeg om te meten, niet zo leeg dat je lucht aanzuigt.
  10. Vul in stappen en leg punten vast. Tank een bekende hoeveelheid, wacht tot het niveau tot rust komt en leg een punt vast. Herhaal dat tot vol. Hoe meer punten, hoe beter je curve de werkelijke vorm van je tank volgt.
  11. Kalibreer vol. Leg het bovenste punt vast bij de stand die je in de praktijk als vol beschouwt, niet bij de theoretische bovenkant.
  12. Bewaar de instellingen. Schrijf je kalibratiepunten en de gekozen instellingen op en bewaar ze bij je bootgegevens. Bij een defecte interface of een reset ben je dan niet opnieuw een tankvulling kwijt.

Waarom kalibreren het echte werk is

Een vlotter meet een hoek of een hoogte, niet een volume. Bij een rechthoekige bak is dat hetzelfde, maar boottanks volgen de romp: ze zijn onderaan smaller, hebben een schuine bodem of lopen naar voren toe taps. Halve vlotterstand is dan geen halve inhoud.

Wat je daarvan merkt, is het klassieke gedrag van een bootmeter: de eerste helft lijkt eeuwig te duren en de laatste kwart is er in een uur door. Dat is geen defecte sensor maar een ontbrekende curve. Met meerdere kalibratiepunten haal je dat er grotendeels uit.

Aantal puntenWat je krijgtGeschikt voor
Twee, leeg en volRecht verloop, percentage kloptRegelmatige tank of watertank
Drie tot vijfDuidelijk betere litersDe meeste boottanks
Meer dan vijfVolgt de vorm goedTanks met schuine bodem of taps verloop

Controleren of het werkt

Test op drie dingen, in deze volgorde. Staat de interface in de device list van je plotter, dan is de netwerkkant in orde. Staat er een niveau dat verandert als je vaart en de tank kabbelt, dan werkt de meting. En klopt het aantal liters ongeveer met wat je tankt, dan is je kalibratie goed.

Die laatste test doe je pas na een volgende tankbeurt. Tank de tank vol, kijk wat de pomp aangeeft en vergelijk dat met wat je systeem als bijgevuld beschouwt. Zit daar structureel een afwijking in, corrigeer dan je totale inhoud of voeg een kalibratiepunt toe.

Zie je het niveau wel op de interface maar niet op je plotter, dan is dat vrijwel altijd een kwestie van het juiste bericht of de juiste bron. Kijk bij PGN's uitgelegd hoe vloeistofniveau over de bus gaat en hoe je de bron kiest.

Veelgemaakte fouten

Staat je nieuwe interface niet in de device list, gebruik dan apparaat niet in de device list. Wil je hierna ook je motorgegevens op je plotter zetten, dan is dat een vergelijkbare klus met een andere interface, en die staat in het artikel over motordata via J1939 hieronder bij verder lezen.

Zodra je tankniveau op het netwerk staat, kun je verbruik per tocht bijhouden en zien hoeveel je werkelijk per uur stookt. Tankinhoud en verbruik in de app

Veelgestelde vragen

Moet mijn oude tanksensor eruit?

Bijna nooit. De gangbare vlotters met weerstandsuitgang worden door de meeste tankinterfaces gelezen, ook als ze decennia oud zijn. Je vervangt de sensor alleen als hij vastzit of niet meer meebeweegt met het niveau.

Kan ik meerdere tanks op één interface aansluiten?

Vaak wel. Er zijn interfaces met meerdere kanalen, waarmee je bijvoorbeeld diesel, drinkwater en vuilwater op één kastje zet. Dat is goedkoper en netter dan een interface per tank, en het scheelt LEN op je netwerk.

Wat is een tankcurve en waarom heb ik die nodig?

Een tankcurve legt vast hoeveel liter er bij welke vlotterstand in de tank zit. Omdat een boottank meestal een onregelmatige vorm heeft, is halve vlotterstand zelden halve inhoud. Zonder curve klopt je percentage wel en je liters niet.

Hoeveel meetpunten heb ik nodig voor het kalibreren?

Twee is het minimum, leeg en vol, maar dan neemt de interface aan dat het verloop recht is. Kan je interface meer punten aan, gebruik ze dan, want juist bij een tank met een schuine bodem zit daar de winst.

Werkt het ook als mijn analoge meter blijft zitten?

In veel gevallen wel, maar niet altijd. Twee meters die aan dezelfde sensor hangen kunnen elkaar beïnvloeden, omdat ze allebei een stroompje door de vlotter sturen. Controleer of jouw interface dat ondersteunt, en test het na het aansluiten.

Terug naar de Kennisbank